Home / Ongelijkheid in beeld: hoe pak je dat aan?  

Ongelijkheid in beeld: hoe pak je dat aan?  

In gesprek met Maurijn Rezvani

De voorjaarsconferentie van het Kenniscentrum Ongelijkheid ging over de stapeling van ongelijkheid: hoe achterstanden niet alleen naast elkaar aanwezig zijn, maar elkaar negatief in de hand kunnen werken. Wie woont in een vochtige woning met tocht en schimmel, heeft vaker gezondheidsproblemen. Die klachten bemoeilijken het functioneren op werk, met gevolgen voor inkomen en welzijn. Zo stapelen achterstanden zich op. 

Tijdens onze conferentie werd ook intersectionaliteit belicht: ongelijkheid als gevolg van een samenloop van identiteitskenmerken. Wie bijvoorbeeld alleen kijkt naar gender, mist vaak het bredere plaatje. Zo laat een onderzoek naar de achterstelling van vrouwen niet vanzelf zien hoe vrouwen met een fysieke beperking en een migratieachtergrond ongelijkheid anders ervaren dan vrouwen met een fysieke beperking zonder migratieachtergrond. Met een intersectionele benadering neem je die samenloop van factoren mee om ongelijkheid beter en vollediger te begrijpen.  

Ook Maurijn was erbij en raakte geïnspireerd. Zelf werkt hij dagelijks aan vraagstukken die over sociale ongelijkheid gaan. In het gesprek dat volgt, vertelt hij hoe onze voorjaarsconferentie hem hielp om daar gerichter naar te kunnen kijken.  

Strategisch adviseur in de stad 

Binnen de gemeente Amsterdam werkt Maurijn als strategisch adviseur bij het Stedelijk Strategieteam. Dat team omschrijft hij als een soort interne denktank: ze maken geen beleid, maar denken wel mee over ingewikkelde vraagstukken die meerdere beleidsterreinen tegelijk raken of over de lange termijn gaan.   

Een van de projecten waar Maurijn aan werkt, onderzoekt hoe de gemeentelijke inzet beter kan worden afgestemd op mensen en buurten die hulp het hardst nodig hebben. Het doel? Ongelijk Investeren voor Gelijke Kansen.   

De groepen mensen die buiten beeld vallen 

Om goed te begrijpen wie het extra moeilijk heeft, kijkt Maurijn naar de sociaaleconomische status (SES), die wordt bepaald door het opleidingsniveau en het inkomen van mensen. Omdat mensen met een lage SES vaak ook op andere gebieden achtergesteld worden, is dat een goede graadmeter voor uiteenlopende stapelingen van ongelijkheid.   

Een lage SES gebruiken we als indicator voor de stapeling van ongelijkheid. Maar ik vroeg me af: kunnen we dat verrijken?

Een concreet voorbeeld dat hij noemt, is het onderhoud van bestrating in Amsterdam. Bovenop het in kaart brengen van inwoners met een lage SES, stelt hij voor om daar cijfers van mensen met een fysieke beperking in mee te nemen.  

De kruising van een laag inkomen én beperkte mobiliteit maakt goede bestrating des te belangrijker. Want zonder financiële middelen is alternatief vervoer vaak geen optie. Maar kunnen we de cijfers van inwoners op zo’n manier koppelen dat dit zichtbaar wordt?

Vanuit die vraag ging Maurijn binnen de gemeente in gesprek met een onderzoeker op het gebied van statistiek. Samen verkenden ze de mogelijkheden om cijfers over mensen met een fysieke beperking en lage SES aan elkaar te koppelen. Dat bleek niet eenvoudig: zulke cijfers zijn niet altijd beschikbaar en lastig met elkaar te combineren. Voor het maken van beleid vindt Maurijn het juist dan belangrijk om door te vragen. 

Waarom is dat zo? Hoe krijgen we de groepen mensen die anders misschien onder de radar zouden blijven beter in beeld? En hoe komt de gemeentelijke inzet daar waar die het hardst nodig is? “

Deze vragen zijn voor hem inmiddels een belangrijke drijfveer geworden. In zijn werk kijkt hij voortaan beter naar de stapeling én kruising van ongelijkheid.

Van cijfers naar mensen (en terug)  

Verder benadrukt Maurijn dat praktijkkennis onmisbaar is. Wanneer ervaringen van mensen niet overeenkomen met de beschikbare cijfers, wijst dat vaak op iets essentieels dat nog ontbreekt. 

Een goed voorbeeld dat hij noemt, is de begeleiding van werkloze jongeren. De Gemeente Amsterdam zet jongerenbegeleiders in op locaties waarvan zij uit ervaring weten dat de behoefte daar het grootst is. Volgens Maurijn was het lange tijd lastig om deze praktijkkennis te koppelen aan de beschikbare cijfers.

“Als je alleen kijkt naar de cijfers over jongeren en werkloosheid, krijg je bijvoorbeeld ook allemaal jongeren met een tussenjaar in beeld die helemaal geen begeleiding nodig hebben.

Door de praktijkkennis van jongerenbegeleiders te combineren met cijfers over jongeren met een lage SES, werd het mogelijk om veel gerichter te bepalen waar de behoefte aan ondersteuning écht speelt. Zo ontstond een systematischer beeld van de plekken waar jongeren wonen die het meeste baat hebben bij begeleiding. 

Aan de slag met ongelijkheid  

Cijfers, kennis en ongelijkheid: het klinkt complex. Maar voor iedereen die met deze thema’s werkt en niet weet waar te beginnen, vroegen we Maurijn om een praktische tip.   

Begin klein en gebruik het als checkvraag: zijn er combinaties van factoren waardoor bepaalde groepen extra kwetsbaar zijn of juist bevoordeeld worden?

Tot slot deelt Maurijn wat hem persoonlijk drijft om zich in te zetten voor meer gelijkheid.

Ik werk graag aan meer kansengelijkheid en minder ongelijkheid voor iedereen. Het zijn vaak de meest mondige mensen die erin slagen de meeste middelen te krijgen, terwijl anderen die het misschien harder nodig hebben, achterblijven.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en blijf op de hoogte!

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.